Studierichtingen

EERSTE GRAAD

Eerste jaar
Met aanvulling Nederlands, Frans, wiskunde
Met Latijn

Tweede jaar
Grieks – Latijn
Handel
Latijn met socio-economische initiatie
Latijn met wetenschappelijk werk
Moderne wetenschappen

TWEEDE GRAAD

ASO
Economie
Grieks – Latijn
Latijn
Humane wetenschappen
Wetenschappen

TSO
Handel

DERDE GRAAD

ASO
Economie – moderne talen
Economie – wiskunde
Grieks – Latijn
Grieks – wiskunde
Latijn – moderne talen
Latijn – wetenschappen
Latijn – wiskunde
Humane wetenschappen
Moderne talen – wetenschappen
Moderne talen – wiskunde
Wetenschappen – wiskunde

TSO
Handel


1ste graad

 

Kiezen bij de start van het eerste jaar: een leidraad

 

Basisvorming: Alle leerlingen van het eerste jaar volgen een gemeenschappelijke basisvorming van 28 lesuren per week.

De leerstof in combinatie met de eindtermen en de vakoverschrijdende eindtermen bepalen de studiebelasting en vormingsdoelen voor alle leerlingen van het eerste jaar.

 

Opties: Deze basisvorming wordt aangevuld met 4 lesuren per week.

 In onze school zijn er drie opties:

 

 

a)Aanvulling van de basisvakken:

  • 1 aanvullend lesuur wiskunde: geeft kansen voor meer oefening, bijkomende uitleg en eventueel verdiepingstaken.

   Concreet: 5 lesuren in de week om de leerstof van 4 uren te verwerken.

  • 1 aanvullend lesuur Frans: geeft kansen voor meer oefening (zowel grammatica als vaardigheden), bijkomende uitleg en eventueel verdiepingstaken.

       Concreet: 5 lesuren in de week om de leerstof van 4 uren te verwerken.

  • 2 aanvullende lesuren Nederlands: geven kansen voor meer oefening (zowel grammatica als vaardigheden), bijkomende uitleg en eventueel verdiepingstaken.

Bij deze optie blijft de studiebelasting  beperkt tot de basisvorming. Deze aanvullingen voegen geen leerstof toe aan de basisvorming. De leerling beschikt over meer tijd om de basisleerstof te versterken.

 

b)Latijn:

  • 4  lesuren Latijn: je bestudeert de taal en de cultuur van de Romeinen. Dit brengt je niet alleen heel wat bij aan culturele vorming, maar ook aan oefening in taalstructuren.

Deze optie biedt, naast de basisvorming, 4 lesuren per week extra vorming door middel van de studie van het Latijn en de Romeinse cultuur. Daarbij krijg je een korte kennismaking met het Grieks.

Dit lespakket van 4 lesuren per week bovenop de basisvorming brengt extra studeerwerk mee. Je moet grondig en regelmatig kunnen studeren en beschikken over een goed geheugen en over taalinzicht. Goede resultaten in het basisonderwijs zijn noodzakelijk. Graag lezen is een pluspunt.



 

HANDEL (2de jaar)

 

In de optie handel ontdek je dat je dagelijks in contact komt met de handelswereld. Via voorbeelden leer je de functie en de verplichtingen van de handelaar kennen. Je peilt ook naar de achterliggende bedoelingen van de handelszaak. Gezien het belang van het secretariaatswerk in de handelssector zal je ook kennismaken met de tekstverwerker in het vak dactylografie.

 

 

Handel: 3 lesuren per week

 

Je wordt vertrouwd gemaakt met begrippen uit de handelswereld. Je leert dat wij niet alleen goederen maar ook diensten kopen. Je onderzoekt waarom, waar en hoe we kopen en wat de resultaten daarvan zijn voor een handelszaak. Je denkt na over hoe een koop of verkoop tot stand komt en uiteraard hoe betalingen kunnen gebeuren (hierbij zal je rekenvaardigheid zeker aangesproken worden). Tenslotte maak je via aangepaste teksten kennis met de handelstaal. Je oefent heel eenvoudige koop- en verkoopgesprekken en krijgt schrijfopdrachten die met verkopen te maken hebben.

 

 

Dactylografie/handel: 2 lesuren per week

 

In dactylografie leer je het toetsenbord van de tekstverwerker kennen. Je oefent dit op de computer.

Omdat beide vakken nauw bij elkaar aansluiten, worden in onze school gegeven als één geïntegreerd pakket.

 

 

Een vergelijking tussen handel en moderne wetenschappen.

 

          Beide opties behoren tot de meer theoretisch gerichte opties in het tweede jaar. Het overgrote deel van de lessen (27 lesuren per week) is hetzelfde.

          Verschilpunten vind je in 5 lesuren per week: wetenschappelijk werk en S.E.I. tegenover dactylo en handel.

          De studiebelasting voor dactylo is geringer omdat je hiervoor meer praktisch moet oefenen.

 

 

Ben je op zoek naar een verlichting van het studiewerk, dan kies je beter voor een meer praktisch gerichte optie in het tweede jaar. (In andere scholen van onze scholengemeenschap vind je zo: sociale en technische vorming, mechanica-elektriciteit, bouw- en  houttechnieken,…).



 

Socio-economische initiatie (2de jaar)

 

 

Socio-economische initiatie komt voor in de optie Moderne wetenschappen, maar ze kan ook als bijkomende optie bij Latijn gekozen worden.

In beide gevallen worden er per week twee uren aan besteed en is het leerplan hetzelfde.

 

De naam van deze optie klinkt zeker ongewoon voor een leerling van het eerste jaar die voor een keuze staat. Maar is de werkelijkheid die achter die naam schuilgaat ons wel zo vreemd?

 

Krantenkoppen blokletteren: ”Overheidstekort van  … miljard”, “Aantal werklozen stijgt in Vlaanderen”. Thuis hoor je uitspraken als: “Voor vijftig euro kan je van jaar tot jaar steeds minder kopen’, “Een mens kan niet meer sparen”. Iedereen heeft, willens nillens, te maken met datgene waarover  de kranten ons in dergelijke nieuwsberichten informeren. Iedereen weet of ervaart dat een kermisdag van jaar tot jaar duurder wordt, dat de prijs  van brood regelmatig verhoogt, dat de olieprijzen meestal stijgen en soms dalen. We kennen allemaal mensen zonder werk. Ieder mens heeft als lid van een familie en als burger van een land te maken met socio-economische realiteit.

 

De bedoeling is om kennis te maken met de wereld van de economie vanuit jouw leefwereld.

Enkele heel eenvoudige voorbeelden zullen je nog duidelijker maken welke de inhoud van deze optie is.

“Belgen zijn welvarend”, zegt de Afrikaan; “In Duitsland gaat het veel beter dan bij ons”, zegt de Belg; de Duitser verklaart:”de Verenigde Staten gaan er op vooruit”; wij lezen in de kranten dat de zwarte in de sloppen van Haarlem onvoldoende voedsel heeft. Wat bedoelt men dan met “welvaart” of “het goed hebben”? Kan je misschien aan de hand van statistieken of aan de hand van andere gegevens wetenschappelijk bepalen wat iemand jaarlijks nodig heeft of moet verdienen om te kunnen leven? (Welke inhoud geef je aan “leven”?)

 

Vorig jaar verdiende ik 10.000 Euro; dit jaar 10.800 Euro. Ga ik er op vooruit of niet als je weet dat de prijzen gemiddeld met 7% zijn gestegen?

Wat is BTW? Waarom moeten wij dit betalen en wat doet de overheid hiermee?

Op welke manier kan je een bepaalde aankoop betalen? (betaalmogelijkheden).

Hoe komen jij en je ouders aan geld, een inkomen om goederen en diensten te kopen?

 

 

Wil je in dit vak meekunnen, dan moet je bereid zijn om

          belangstelling te tonen voor deze aspecten van onze samenleving

          teksten grondig te beredeneren

          begrippen juist te hanteren

          vlot te leren cijferen

          regelmatig te studeren

 

De zin van de bijkomende optie socio-economische initiatie

          De optie socio-economische initiatie is op zichzelf voldoende rijk aan inhoud, ze is voor iedereen een keuze die de moeite loont.

          Wie Latijn in het tweede jaar als eerste optie kiest en dat vak zal blijven volgen tot op het einde van zijn studies, krijgt alleen met deze optie in het tweede jaar de kans om kennis te maken met het socio-economische aspect.

          Wie socio-economische initiatie naast Latijn volgt in het tweede jaar, kan in het derde jaar zonder enige achterstand overstappen naar een richting met economie. Hierbij nochtans twee belangrijke opmerkingen

 

  1. vanaf het derde jaar is de combinatie van Latijn met economie niet meer mogelijk;
het principe “wie met Latijn start in het eerste jaar gaat daarmee verder, tenzij er echt tegenaanwijzingen zijn en de klassenraad aanraadt ermee te stoppen” blijft onverminderd van kracht.

 

Socio-economische initiatie binnen de optie MODERNE WETENSCHAPPEN

 

Binnen de optie Moderne wetenschappen volgen leerlingen naast socio-economische initiatie ook wetenschappelijk werk. In de loop van het jaar zullen een aantal lessen gewijd worden aan vakoverschrijdende projecten. In deze lessen zullen bepaalde onderwerpen (vb. sport) zowel vanuit de wetenschappelijke invalshoek als vanuit de socio-economische invalshoek bestudeerd worden. Op die wijze maken leerlingen kennis met facetten van economie, van natuurwetenschappen en van gedrags- en cultuurwetenschappen. Dit is zeker een pluspunt bij de studiekeuze op het einde van het twee jaar.


WETENSCHAPPELIJK WERK (2de jaar)

 

 

Wetenschappelijk Werk kan je op twee manieren in je keuzepak­ket van het tweede jaar opnemen:

          ofwel met drie uren in Moderne Wetenschappen,

          ofwel met twee uren als bijkomende optie bij Latijn.

In beide gevallen wordt hetzelfde leerplan gevolgd.

 

In het vak WW krijgen natuurwetenschappen de nodige aandacht. Natuurwetenschappen zijn gericht op het begrijpend verklaren van de fysische werkelijkheid. In de eerste graad maken leerlingen kennis met de wetenschappelijke methode in het vak Wetenschappelijk werk: waarnemen, verklaren, definiëren, beschrijven, veralgemenen,

besluiten en reflecteren over de manier waarop de wetten van de natuur zich manifesteren.

 

Wat houdt Wetenschappelijk Werk in?

Zes grote contexten en twee projecten (samenwerking met SEI) komen aan bod:

 

          Meten en tekenen,

          Elektriciteit

          Zinken zweven drijven

          Kracht en druk

          Indeling van stoffen

          Licht en kleur

          Project sport

          Project milieu

 

Meestal wordt getracht aan de hand van proeven een verklaring te vinden voor eenvoudige waarnemingen uit het dagelijkse leven. Verwacht je echter niet aan “laboratoriumwerk”: het gaat meestal om heel eenvoudige dingen.

 

In de lessen Wetenschappelijk Werk ervaar je onmiddellijk:

         

  • dat wetenschappelijk werk zorg, orde en precisie vereist;
  • hoe een wetenschapper in zijn domein te werk gaat en hoe hij bevindingen verwerkt in tabellen, grafieken en formu­les;

     

  • dat in wetenschappelijk onderzoek teamwerk heel belang­rijk is;

     

  • dat in wetenschappelijk werk vaak met formules gewerkt wordt en dat wiskunde dus heel belangrijk is (vergelij­kingen oplossen, werken met breuken, decimale getallen, omzettingen van eenheden).

 

Heel wat leerlingen ontdekken hier dat ze de wiskunde, die in de gewone lessen nogal theoretisch is, in wetenschappelijke studies niet kunnen missen en dat is zeker een reden om je voor wiskunde goed in te spannen. Zij ontdekken ook dat weten­schap­pelijk werk niet blijft bij proefnemingen alleen, maar dat er echt moet gestudeerd worden wanneer de proeven bespro­ken zijn, wanneer een verklaring voor de waarnemingen is gevonden en de bevindingen ten slotte zijn vastgelegd in formules of voorge­steld in grafieken.

Sommige leerlingen nemen ondoordacht Wetenschappelijk Werk in hun keuze­pakket op. Ze vermoeden dat de cursus zich beperkt tot “proefjes”. De rest zien ze over het hoofd.

Deze bedenkingen moet je goed overwegen. Zo voorkom je ontgoo­chelingen. Denk evenmin dat deze optie de gemakkelijkste weg is.

 

Wetenschappelijk werk binnen de optie MODERNE WETENSCHAPPEN

 

Binnen de optie Moderne wetenschappen volgen leerlingen naast wetenschappelijk werk ook socio-economische initiatie. In de loop van het jaar zullen een aantal lessen gewijd worden aan vakoverschrijdende projecten. In deze lessen zullen bepaalde onderwerpen (vb. sport) zowel vanuit de wetenschappelijke invalshoek als vanuit de socio-economische invalshoek bestudeerd worden.

 

 

2DE en 3de GRAAD

 

Economie

 

Pedagogisch-didactische wenken

 

In het huidige leerplan wordt gepleit voor een radicale breuk met het verleden. Bestond de algemene doelstelling van het economieonderwijs er vroeger in economische theorieën toegankelijk te maken, dan krijgt het ontwikkelen van een dispositie tot economische bedachtzaamheid voortaan voorrang.

 

Vanuit die nieuwe doelstelling krijgen leerinhouden, werkvormen, media en evaluatievormen een andere invulling. In het onderstaande gaan we wat dieper in op de invulling van deze componenten in het leerplan.

 

Leerinhouden

 

Het leerplan voor de tweede graad voorziet zes grote thema’s:

          de kern van het ondernemen

          werken in de onderneming

          ondernemen is risico’s nemen en beheersen

          kleine versus grote ondernemingen

          produceren voor de wereldmarkt

          groei en welvaart

 

Uit de observatie van de economische werkelijkheid blijkt dat de onderneming aan de basis ligt van de welvaartscreatie. Dat is dan ook de reden waarom het leerplan vanuit de onderneming vertrekt. Het eerste thema is eerder verkennend bedoeld. De in dit thema behandelde problematiek wordt in de volgende thema’s verder uitgediept en verbreed. Het laatste thema plaatst de ondernemingen in een globale economische context. In dit thema wordt nagegaan welke rol de onderneming in de welvaartscreatie speelt en in welke mate de vruchten van de welvaartstoename in gelijke mate verdeeld worden over iedereen.

 

In dit leerplan zijn de leerinhouden niet op een academische wijze geordend. De leerinhouden worden daarentegen aangebracht vanuit een aantal concrete vragen. Die zijn erop gericht de leerlingen een onderzoekende houding bij te brengen.

 

De leerinhouden zijn erop gericht de leerlingen in staat te stellen maatschappelijke verschijnselen vanuit een economische perspectief te beschrijven en te verklaren. Door te opteren voor maatschappelijke verschijnselen, konden ook ethische kwesties in het leerplan worden geïntegreerd. Bij ethische vraagstellingen is het aangewezen de leerlingen met uiteenlopende visies te confronteren. Dit stelt hen in staat de eigen waarden kritisch te bevragen (waardeverheldering) om van daaruit een rijker waardebesef op te bouwen.

 

Werkvormen

 

Om de leerlingen in staat te stellen beklijvende en toepasbare kennis te verwerven, is een adequate didactische aanpak noodzakelijk. Die beoogt de leerlingen zelf hun kennis te laten opbouwen in en door het contact met de economische werkelijkheid en de confrontatie van de eigen bevindingen met die van anderen.

 

Op dit ogenblik is het onderwijsleergesprek de meest gebruikte  didactische werkvorm. Ook groepswerk komt aan bod. Dit biedt tal van voordelen. Leerlingen leren vooreerst met elkaar samen te werken, wat een belangrijke sociale vaardigheid is. Zij leren naar elkaar te luisteren, met elkaar de discussiëren , de eigen stelling te beargumenteren, respect op te brengen voor afwijkende meningen. Ook inhoudelijk biedt groepswerk een belangrijke meerwaarde. Leerlingen hebben immers elk een eigen kijk op de zaak. Als zij hun perspectieven met elkaar uitwisselen, ontstaat hierdoor nieuwe en rijkere kennis.

 

 

Economie + 1 uur

 

De nieuwe structuur van de tweede graad legt de keuze tussen ASO en TSO principieel op het einde van de eerste graad (2e jaar).

De ervaring leert dat heel wat leerlingen via een gedeeltelijk ASO-parcours op een later ogenblik overstappen naar een TSO-studierichting. In onze scholengemeenschap ( in onze school) gebeurt dit bijvoorbeeld vaak tussen de ASO-studierichtingen met economie en de TSO-richtingen uit het studiegebied handel.

Om vertraging van de studieloopbaan (overzitten) te vermijden, opteren wij binnen de scholengemeenschap, tegen het advies van het leerplan in, voor een meer technische benadering van de bedrijfseconomische componenten van het leerplan voor 4 u. Concreet wil dit zeggen dan in het 5e uur economie het hoofdaccent zal liggen op ‘boekhouden’.

 

 

Opmerking: een eventuele overstap van economie 5 uur naar handel zal, naast goede resultaten voor economie , toch nog een ernstige inhaalbeweging vragen voor bedrijfshuishoudkunde.


 

Grieks en/of Latijn

 

Algemene doelstellingen van de klassieke talen

 

 1)Teksten van Griekse/Latijnse auteurs begrijpen naar vorm en inhoud: de teksten ontleden, interpreteren en commentariëren met gebruik van de nodige hulpmiddelen. Het betreft bestudeerde en analoge niet-bestudeerde teksten.

 

2)De bestudeerde fragmenten structureel en inhoudelijk situeren binnen het geheel van het werk. Dit werk plaatsen in het oeuvre van de auteur en in het genre waartoe het behoort.


3)Belangstelling hebben voor en inzicht hebben in de eigenheid van de Grieken en Romeinen: hun taal en letterkunde, hun kunst en cultuur, hun geschiedenis en maatschappij; daarbij beseffen dat de antieke beschaving een voorname bron is van onze westerse cultuur en tevens een achtergrond voor reflectie over onszelf en onze wereld.

 

4)Inzicht krijgen in het wezen en functioneren van taal door de confrontatie met de eigenheid van de klassieke taal.


5)Zin ontwikkelen voor nauwkeurigheid, grondigheid en doorzettingsvermogen, systematisch leren werken door voortdurende analyse en synthese; kritisch leren oordelen; zelfstandig leren werken en leren samenwerken; het vermogen ontwikkelen zich in te leven in een tekst en in een andere cultuur; de schoonheid van een literaire tekst leren waarderen.

 

6)Openstaan voor de fundamentele waarden en levensvragen van Grieken en Romeinen en deze confronteren met de christelijke boodschap.

 

Via deze algemene doestellingen draagt de studie van de klassieke talen, samen met de andere vakken, bij tot een persoonsvorming die de leerlingen in staat stelt:

          hogere studies aan te vatten;

          hun leven in te richten in harmonie met zichzelf, hun directe omgeving en de wereld waarin zij leven;

          te zoeken naar de zin van hun bestaan.

  

Algemene doelstellingen van de klassieke talen in de tweede graad

 

De leerlingen:

          ontwikkelen hun leesvaardigheid door zowel vereenvoudigde als authentieke teksten te leren begrijpen naar vorm en inhoud;

          herhalen de leerstof van de eerste graad en verwerken nieuwe onderdelen van de basisgrammatica die nodig zijn voor een goed tekstbegrip;

          tonen hun tekstbegrip door onder andere:


     o de inhoud van een tekst na te vertellen of samen te vatten;

     o de tekst in keurig Nederlands weet te geven;

     o de verhaalstructuur, de plot of de redenering van een tekst te schetsen;

     o het thema of de problematiek van een tekst naar onze tijd te actualiseren.

 

Concrete lesinhouden 2e graad

 

In het derde jaar worden de verbuigingen en vervoegingen herhaald. Binnen de taalstudie komt het accent nu te liggen op de samenstelling van de zin : van enkelvoudige naar samengestelde, van onafhankelijk naar ondergeschikte zinnen. Oefeningen en teksten worden gebruikt om de grammaticale kennis verder in te oefenen. Vocabularium instuderen helpt om vlot leesteksten te vertalen. We oefenen met het gebruik van een woordenboek en grammatica-overzicht.

In het vierde jaar ligt de klemtoon eerder op het bestuderen van een aantal klassieke auteurs (Caesar, Plinius, Ovidius, Herodotos ..). Originele Latijnse/Griekse  teksten  worden gelezen, bestudeerd naar vorm en inhoud en gesitueerd binnen de tijdsgeest, waarin ze zijn geschreven. Vocabulariumstudie blijft uiteraard belangrijk. Grammatica van de voorbije jaren wordt herhaald en uitgebreid; een aantal nieuwe fenomenen wordt behandeld.  Door de overgang van prozateksten naar poëzie krijgt ook de studie van de stijlfiguren en scansie in hexameters een plaats in de lessen.

 

Concrete lesinhouden 3e graad

In de derde graad moeten vocabularium en grammatica (naargelang van de behoefte) herhaald worden. Dit gebeurt voornamelijk in zelfstudie. De klemtoon ligt nu volledig op het bestuderen van de kenmerken van de verschillende genres en  op het lezen en becommentariëren van originele Latijnse/Griekse  teksten. In het vijfde jaar worden poëtische teksten gelezen, in het zesde prozateksten binnen de themata retoriek, recht, historiografie en filosofie.


 

Humane Wetenschappen

 

Inleiding

 

Vanaf het schooljaar 2001-2002 kan men in onze school de studierichting Humane Wetenschappen volgen. Vroeger noemde men deze richting Menswetenschappen. Niet alleen de naam is nu anders, maar ook de inhoud van het leerplan en de manier waarop we kijken naar Humane Wetenschappen als ASO-richting.
Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat er een duidelijke keuze is gemaakt: Humane Wetenschappen moet een echte ASO-richting zijn. De uren wiskunde (4 uur) en de richtingsvakken (5 uur) zijn verhoogd. Deze onderwijsvorm moet kunnen uitmonden in een ‘hogere’ vorm van onderwijs.

 

Leerlingenprofiel

 

Uit de samenstelling van lessen- en lestijden-pakket blijkt duidelijk dat Humane Wetenschappen bedoeld is voor de typische ASO-leerling met een degelijk studietalent, die vanuit een theoretische invalshoek belangstelling heeft voor een studie met een sterke sociale inslag en die zich via deze weg wil voorbereiden op hoger onderwijs. Als leerling Humane Wetenschappen toon je je geïnteresseerd in de vele manieren waarop mensen zich gedragen en ben je ook zeer nieuwsgierig naar de werking van de samenleving.

Het moet duidelijk zijn dat sociale interesse alleen niet voldoende is. Deze regel geldt voor de tweede en derde graad.

 

Tweede graad.

 

De aanpak van de richtingsvakken in de tweede graad gebeurt in drie stappen. In eerste instantie wordt je uitgenodigd een bepaald aspect van de werkelijkheid te observeren. Je  interviewt  jonge ouders of neemt een kijkje in de kleuterklas. Dan ga je onder begeleiding van de leraar op zoek naar achtergronden van wat je zien, je probeert jouw waarnemingen op een zo objectief mogelijke manier te analyseren, te ontleden. De leerplancommissie heeft er voor gekozen om in ieder jaar een bepaalde theorie (Erikson in het derde jaar, Maslow in het vierde jaar) als bindmiddel voor de drie thema’s voor te stellen. Tenslotte probeer je uit te drukken hoe je de bestudeerde feiten waardeert, je tracht een gefundeerd standpunt in te nemen en te verwoorden.

 

Derde graad

 

In de derde graad kom je ertoe de waargenomen werkelijkheid van de mens en maatschappij te structureren door er modellen en theorieën naast te leggen. In de tweede graad zijn er natuurlijk verwijzingen naar een meer wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid, maar deze wetenschappelijke benadering staat in de tweede graad niet centraal, in de derde graad wel.

 

Twee richtingsvakken

 

Als richtingsvakken worden eigenlijk twee verzamelnamen genoemd: gedragswetenschappen en cultuurwetenschappen. Gedragswetenschappen beoogt de mens en de maatschappij te bestuderen vanuit psychologie, sociologie en antropologie. Cultuurwetenschappen wil een versmelting zijn van media en filosofie, in de betekenis van durven nadenken over de cultuur waarin we leven en waar de media een zeer belangrijke rol spelen.

 

Thema’s gedragswetenschappen

 

Derde jaar:   Het kind in de samenleving (van geboorte tot lagere school)

                   Een tijd van groei en verandering (adolescentie)

                   Levenslang groeien (volwassenheid, oud worden)

Vierde jaar:   Interactie en gedrag

                   Relaties

                   Individu en organisaties

 

Thema’s cultuurwetenschappen

 

Derde jaar:   Cultuur en cultuuroverdracht

                   Massamedia en communicatie

 

Vierde jaar:   Welvaart en welzijn

                   Omgaan met kunst

 

Toekomstperspectieven

 

Humane Wetenschappen wil een doorstromingsrichting zijn. De aansluiting met hoger onderwijs zal zich op de eerste plaats situeren binnen de ‘Humane Wetenschappen’ van het korte of lange (type één of twee cycli) zoals daar zijn pedagogisch, sociaal, taalgericht, … onderwijs, en het universitair onderwijs zoals politieke en sociale wetenschappen, psychologie, pedagogie, filosofie, (kunst)geschiedenis, pers- en communicatiewetenschappen, rechten,…  Door de specifieke ASO-benadering van de inhouden wil Humane Wetenschappen voorbereiden op een brede waaier van studies in het hoger onderwijs.

 

Normen en verwachtingen

 

Het moet duidelijk zijn dat deze richting voor jouw als leerling een behoorlijk zware norm wil hanteren, je moet een leerling zijn die het ASO-niveau aankan en daar ook voor wil werken, maar het specifieke is dat je geïnteresseerd bent in de mens als individu en als sociaal wezen en in de maatschappij. Als verwachting mag daarom zeker verwoord worden: je kan behoorlijk mee met de theoretische vakken (4 uur wiskunde, behoorlijk taalpakket) en je bent geïnteresseerd in wat met mens en maatschappij gebeurt. Je wil samenwerken met anderen en je bent bereid verantwoordelijkheid op je te nemen.

 

De logische opbouw begint in de tweede graad. Voor instromers in de derde graad moet een instapproef gedaan worden opdat de instappers voldoende bagage verwerven om mee te kunnen met wie al twee jaar op weg is.

 

 

 

Wetenschappen 

Inleiding

 

In de richting wetenschappen zijn er voor elke wetenschap (biologie, chemie, fysica en aardrijkskunde) twee lesuren voorzien, zowel in het derde jaar als in het vierde jaar.

Dit tweede lesuur voor elke wetenschap wordt telkens ingevuld door laboratorium, leerlingenproeven, veldwerk, ICT-toepassingen en/of onderzoeksvaardigheden. Dat betekent dat het tweede lesuur geen hypotheek legt op de aansluiting met de derde graad. Er wordt geen extra leerstof voorzien, maar de leerlingen leren wetenschappelijk kijken naar de werkelijkheid en deze werkelijkheid verklaren. De theorieën worden duidelijk door de praktijklessen of praktijkvoorbeelden die naast de theorie gegeven worden.

Het is de bedoeling van de onderzoekscompetenties van de leerlingen aan te scherpen, zodat ze in de derde graad deze al weten te gebruiken.

 

Leerlingenprofiel

 

De leerlingen die kiezen voor deze richting moeten duidelijke interesses bezitten voor alle wetenschappen.

Zij moeten in staat zijn om logische redeneringen te kunnen volgen en/of zelf een redenering op te bouwen. Tijdens de leerlingpractica wordt er aan de leerlingen gevraagd ordelijk en netjes te werken, nauwkeurigheid en volledigheid zijn belangrijke eigenschappen voor een wetenschapper. Na elk practicum moet er een verslag gemaakt worden waarin ze hun waarnemingen, berekeningen en verklaringen voor de waarnemingen weergeven.

De leerlingen moeten zelfstandig informatie kunnen opzoeken en verwerken, dus een zekere taalvaardigheid is vereist.

Voor fysica en deels ook voor chemie moeten er vraagstukken opgelost worden. Hiervoor moet de leerling over voldoende wiskundige vaardigheden beschikken.

 

Tweede graad

 

In de tweede graad wordt de basis gelegd voor de hedendaagse theorieën in de wetenschap.

In de eerste instantie wordt aan de leerling uitgelegd wat in elke wetenschap bestudeerd wordt en krijgt de leerling een eerste kennismaking met het specifiek taalgebruik van elke wetenschap.

In tweede instantie worden theoretische modellen aangeleerd, typische natuurfenomenen verklaard en onderzoekstechnieken besproken.

Voor de vakken biologie en chemie wordt de klas voor het tweede lesuur gesplitst zodat de leerlingen in kleinere groepen practica kunnen uitvoeren of andere toepassingen.

 

Derde graad

 

In de derde graad worden de theorieën die in de tweede graad aangeleerd zijn verder uitgewerkt en verklaard. De wetenschappelijke aanpak staat centraal.

 

Uitbreiding aardrijkskunde

 

In het uitbreidingsuur geven we de leerlingen de kans om zelfstandig aardrijkskundig onderzoek uit te voeren. Het is de bedoeling dit zelfstandig werk hoofdzakelijk als onderdeel van de lessen te laten verlopen. De behandelde onderwerpen sluiten aan bij de leerinhouden van de basiscursus van het 3de  en 4de jaar.

Deze uitbreiding laat toe om meer toegepast op de onderwerpen in te gaan; de leerlingen bereiden een bepaald onderwerp in groepsverband voor en presenteren dit aan hun klasgenoten. Er zijn ook excursies mogelijk naar, bv.  het afrikamuseum in Tervuren of de Nationale plantentuin te Meise.

Tenslotte wordt de actualiteit in de les betrokken; natuurrampen, etnische conflicten,….

 

Uitbreiding chemie

 

De leerlingen krijgen kansen om de theoretische leerstof toe te passen in het labo. Ze werken samen om hun proefjes voor te bereiden en om ze uit te voeren. De leerlingen leren hun waarnemingen te noteren in een verslag en de waarnemingen te correleren met de theorie die ze geleerd hebben. De leerstof wordt grondiger uitgediept en meer ingeoefend. Het uitbreidingsuur wordt ook gebruikt om actuele onderwerpen te verduidelijken, zoals het verbruik van olie, de alternatieve brandstoffen, kernenergie, enz..

 

Uitbreiding biologie

 

Het uitbreidingsuur wordt gebruikt om de leerlingen kans te geven om de theoretische leerstof zelf waar te nemen in dissecties van planten en dieren. De leerstof wordt uitgediept door extra oefeningen, excursies en voorbeelden. De leerlingen worden uitgedaagd om een deel van de leerstof zelfstandig te verwerken.

 

Uitbreiding Fysica

 

Ook in de fysica wordt het extra uur gebruikt om de leerstof grondiger te bekijken en in te oefenen. De moeilijkheidsgraad van de oefeningen wordt iets verhoogd om de leerlingen de wetenschappelijke benadering eigen te maken. Zo wordt er meer aandacht besteed aan de beduidende cijfers, de technieken voor het oplossen van vraagstukken …


 

Het vak wiskunde

 

Wiskunde wordt in de tweede graad aangeboden met een verschillend aantal lestijden. Bijgevolg worden er in het leerplan twee verschillende leerwegen voorzien om de voorgeschreven doelstellingen te realiseren. Daarmee wordt voor wiskunde een eerste stap gezet naar differentiatie die in de tweede graad nodig is om de intrinsieke verschillen tussen de leerlingen op te vangen, bijv in verband met het leertempo, het begripsvermogen, de capaciteit tot abstraheren, de redeneervaardigheid, de kennis van de eerder bestudeerde leerinhouden, de verwerking en de organisatie daarvan , de vaardigheid in het aanpakken van problemen, de motivatie,…

 

Voor een goed begrip van de leerwegen en de eigen accenten die daarbinnen gelegd worden, is het zinvol verschillende aspecten van de wiskundevorming te beschouwen. Een eerste aspect betreft het proces van vertalen, vertolken van situaties en probleemstellingen in wiskunde, het mathematiseringproces. Hier horen doelstellingen over het verwerven van probleemoplossende vaardigheden en het kritische reflecteren over de gevolgde weg en het bekomen resultaat. Hier kunnen ook de doelstellingen ondergebracht worden over het concipiëren van wiskunde, bijv. begripsvorming, opbouw van eigenschappen, bodemvorming, en het herkennen daarvan in de maatschappelijke realiteit.

 

Een tweede aspect heeft te maken met de vaardigheid om wiskunde te laten functioneren bij het effectief uitwerken van een oplossing, bijv. het berekenen, het beredeneren van oplossingen. Het gaat in essentie om het verwerven van de vaardigheid in het uitvoeren van wiskundige technieken zoals rekenen, vergelijkingen en stelsels oplossen, grafieken lezen en tekenen, figuren of bijzondere lijnen construeren,…. Die vaardigheiden moeten zowel manueel als met technische hulpmiddelen verworven worden, met inbegrip van de mogelijkheden uit de informatie- en communicatietechnologie (ICT). Een aparte vaardigheid in het laten functioneren van wiskunde is vanuit het beschikbare kennisbestand elementen aanbrengen om oplossingen, vermoedens en beweringen met argumenten te onderbouwen.

 

Een derde aspect betreft de ordening, de samenhang in wiskunde, de organisatie van de kennis, zodat die adequaat en flexibel kan gehanteerd worden. Hier past de aandacht voor de ‘logische’ ordening , maar ook voor een ordeningen die snel toegankelijk is bij het oplossing van problemen.

 

Vermits de beginsituatie voor de twee leerlinggroepen dezelfde is, bevatten deze leerwegen voor een deel analoge of zelfs gelijke doelstellingen. Voor een deel kan ook de initiële aanpak analoog verlopen. Dat betekent niet dat voor alle leerlingen het leerproces op dezelfde wijze, in hetzelfde tempo en tot hetzelfde niveau zal verlopen. Vaak zal de leraar bij leerweg 5 voor het leerproces een meer zelfontdekkende didactiek hanteren, waar bij  leerweg 4 soms een meer geleide of gestuurde aanpak nodig is. Het is evident dat ten aanzien van de leerlingen van leerweg 5 hogere eisen kunnen gelden voor de gemeenschappelijke basiskennis. Hierin komt het verschil in eisen ten aanzien van de gehanteerde wiskunde taal tot uiting.

 

Ten opzichte van leerweg 4 bevat de leerweg 5 ook een aantal bijkomende doelstellingen, zowel in de basis als in de uitbreiding.

Binnen het aspect mathematiseren betreft het soms een bijkomende leerinhoud, een uitbreiding van de kennis, een extra wiskundig begrip, eigenschap of model. Soms gaat het om een verfijnen, een exacter formuleren of het veralgemenen  van begrippen of eigenschappen.

Van leerlingen die leerweg 5 volgen, wordt verwacht dat ze bij het oplossen van problemen  creatiever zijn in het bedenken van oplossingen en meer zelf initiatief nemen. Ook in de aard, het niveau, de uitgebreidheid van een toepassing bestaat de mogelijkheid de leerwegen te differentiëren. Mogelijkheden worden hier zeker geboden door oefeningen die een ruimer kennisgebeid bestrijken, die verschillende traditionele kennisonderdelen integreren en/of die een meer open formulering hebben.

Het belang van een meer zelfontdekkende didactiek kan niet genoeg onderstreept worden. De leraar zal geregeld zelfstandige leersituaties op gang moeten brengen en opvolgen. Van de leerlingen wordt verwacht dat ze, op basis van aangeboden leerteksten of leermateriaal al een klein onderdeel van de leerinhouden zelfstandig kunnen verwerken. En dat biedt dan weer kansen om hen op eigen tempo te confronteren met allerlei motiverende toepassingen. Gevolg van dit alles moet zijn dat bij de leerweg 5 de probleemoplossende vaardigheden, zo belangrijk in de transfer naar andere vakgebieden en voor de verdere studieloopbaan, in hoge mate kunnen gerealiseerd worden.


Binnen het aspect technieken uitvoeren mag verwacht worden dat leerlingen die leerweg 5 kiezen handiger, vlotter met de technieken kunnen omspringen. De ruimere tijd kan ook besteed worden aan een bijkomende techniek (bijv. verschillende methoden bij het oplossen van stelsels, het omvormen van formules, het algebraïsch rekenen).
Eenzelfde redenering is geldig voor de vaardigheden in argumenteren, verklaren, bewijzen,…. Deze belangrijke wiskundige vaardigheden blijven in de leerweg 4 zeker niet achterwege, maar een consequente en doorgedreven vorming is wellicht niet voor alle leerlingen vereist en haalbaar. Voor de leerlingen van leerweg 5 behoren ze tot de noodzakelijke voorbereiding op de derde graad.

 

Daar waar bij de leerweg 4 sporadisch aandacht zal besteed worden aan het aspect van samenhang en opbouw, is dat bij de leerweg 5 een fundamenteel aandachtspunt. Dit levert de leerlingen belangrijke bijkomende troeven voor een doorstroming naar sterk-wiskundig geprofileerde studierichtingen.

 

Wiskunde – van 2de naar 3de graad

 

Situering

 

In de tweede graad worden er voor wiskunde twee leerwegen aangeboden: een leerweg 4 en een leerweg 5. In de studierichting Grieks – Latijn is binnen het lessentabel enkel leerweg 4 mogelijk.

 

Doorstromen naar de derde graad

 

Volgens het leerplan moeten leerlingen, die over de nodige capaciteiten beschikken, in de vervolgopleiding (3de graad) vanuit beide leerwegen wiskunde op het hoogste niveau (6 wekelijkse lestijden of meer) kunnen volgen. Het leerplan zegt hierover:” Met het oog op het keuzeproces voor de derde graad en de verdere studie- en beroepsloopbaan moeten alle leerlingen binnen hun mogelijkheden voldoende kansen krijgen om de vormingskansen van een doorgedreven wiskunde vorming te ervaren.

Het leerplan geeft telkens heel wat mogelijkheden aan en voorziet als werkinstrument hiervoor de interne differentiatie.


 

Het technisch secundair onderwijs (TSO)

 

Omschrijving

In het tso gaat vooral aandacht naar de theoretisch-technische vakken die ondersteund worden door een aantal lestijden praktijk. In de tweede graad brengt men vooral technische basisbegrippen bij (vb. elektriciteit, handel, kleding, hotel,…).

De keuze van een studierichting in de tweede graad moet vooral beschouwd worden als een voorbereiding op bepaalde studierichtingen in de derde graad.

Bij de bespreking van de verschillende studierichtingen geven we aan welke studierichtingen van de derde graad best aansluiten bij een studierichting in de tweede graad. Uiteraard zijn er na het vierde jaar voor de meeste studierichtingen nog andere aansluitingsmogelijkheden.

 

De keuze zal groter zijn na eerder theoretische studierichtingen. De studierichtingen van de tweede graad TSO verschillen sterk naar opzet en inhoud. Uiteraard zijn er na het vierde jaar voor de meeste studierichtingen nog andere aansluitingen.

 

– Sterk theoretisch gerichte opleidingen kennen een verderzetting in de derde graad en

moeten gezien worden als een voorbereiding op hoger onderwijs. Na het vierde leerjaar kan men evenwel overstappen naar minder theoretische studierichtingen in de derde graad.

 

– Studierichtingen die naast een sterk theoretische benadering ook ruime aandacht 

besteden aan  praktijkoefeningen. Deze studierichtingen worden verder uitgebouwd in de derde graad. Zij bereiden voor op het beroepsleven maar geven de leerling nog de mogelijkheid verder te studeren in het hoger onderwijs.

 

 

– Studierichtingen waar de nadruk ligt op het technische en praktische kennis. Zij bereiden voor op praktische opleidingen in de derde graad. Zij bereiden vooral voor op het beroepsleven. Slechts uitzonderlijk bieden ze nog kansen in het hoger onderwijs.


 

Handel tso

 

Omschrijving

Deze studierichting is hoofdzakelijk theoretisch gericht. Ze wordt voortgezet in aanverwante tso-richtingen in de derde graad (informatica, boekhouden – informatica, informaticabeheer)

De studierichting handel legt voornamelijk de nadruk op de studie van bedrijfseconomie, talen, toegepaste informatica en toegepaste wiskunde.

‘Handel – talen daarentegen accentueert sterker de praktische talenvorming en is minder bedrijfseconomisch en wiskundig onderbouwd. Deze richting vormt een logische voorbereiding op secretariaat talen in de derde graad.’

 

Bedoeling

Handel (tso) is een polyvalente studierichting die de leerlingen wil opleiden voor een commerciële, administratieve of sociale loopbaan in het bedrijfsleven, de overheidsdiensten of in de dienstensector. Daarnaast wordt ook een algemene, culturele en maatschappelijke vorming gegeven. Hoofdbekommernis  blijft het aanreiken van een ruime bedrijfseconomische kennis. Het lessenrooster bestaat voor een vrij groot gedeelte uit administratief-commerciële en op de praktijk gericht vakken. Ook de taalkundige vorming (Nederlands, Frans, Engels en Duits) is afgestemd op de praktijk. De leerlingen leren vooral de specifieke handelstaal (mondeling, schriftelijk) en maken uitgebreid kennis met de moderne communicatievormen (brief, telefoon, fax, modem, netwerk, elektronische post, internet, …) De profilering gebeurt vooral in de derde graad.

 

Inhoud van de vakken


Bedrijfseconomie

De leerlingen maken kennis met algemene begrippen uit de bedrijfseconomie en met de afdelingen van een bedrijf en de administratieve documentenstroom tussen de verschillende afdeling. Zij maken kennis met commerciële en boekhoudkundige begrippen, de boekhouding van de meest courante verrichtingen in een systeem van dubbelboekhouden ( manueel en via een didactisch boekhoudpakket) en met verkoopopdrachten. Via projecten (vaak in groep) wordt het verwerven van de bijhorende vaardigheden en attitudes aangestuurd.

 

Informatica/toegepaste informatica

De leerlingen maken kennis met apparatuur, programmatuur, algoritmisch denken en leren inzichtelijk werken met de meest recente versies van softwarepakketten (tekstverwerking) databeheer, elektronisch rekenblad, boekhoudpakket). Informatica is geen doel op zich, maar een hulpmiddel om bepaalde items uit het vak bedrijfseconomie te ondersteunen.

 

Uitwegen

De meest logische voortzetting van de studierichting in de derde graad is “handel tso”. Andere mogelijkheden zijn: boekhouden – informatica (tso), informaticabeheer (tso), onthaal en public relations (tso), secretariaat talen (tso), toerisme (tso). De kans bestaat dan dat bepaalde vakken bijgewerkt moeten worden.

Na de derde graad kan je vanuit de studierichting handel tso voortstuderen in o.a.:

-professioneel gerichte bacheloropleidingen in het hoger onderwijs in studiegebieden als handelswetenschappen en bedrijfskunde.

– 3de leerjaar van de 3de graad (Se-n-Se)

 

Aandachtspunten

De leerlingen die deze richting willen volgen, moeten beschikken over een ruime belangstelling voor de economische en commerciële wereld, toegepaste informatica, moderne vreemde talen en administratie.